07-02-08

De hond

Een hond is vermaard om zijn gezellige aard
en het kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond, staat gewoonlijk in het front.
En zolang die maar nat en fris is,
is het een bewijs dat mijnheer zo gezond als een vis is.

Een hond is iemand die van zijn baas bijzonder veel houdt,
die hij, om zo te zeggen, als zijn derde vader beschouwt.
En die hem dikwijls een hele boerenwoning toevertrouwt,
waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
en de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.

Als een haas niet op zijn tellen past,
wordt hij dikwijls door een hond verrast.

Menig blinde hond is verdronken, omdat hij geen zwemmen verstond,
maar zodra ze dit verstaan, kan men ze gerust uit baaien laten gaan.

Honden zijn dol op kalfslever en benen,
maar zo dikwijls loopt een derde er mee henen.
Ook eet een hond met plezier water en droog brood,
maar een pak slaag, daar heeft hij een broertje aan dood.
Het opzetten is ook iets, waar hij niets om geeft,
als het maar niet begonnen wordt, terwijl hij nog leeft.

Ook blaffen honden niet meer als ze eenmaal dood zijn,
anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.

 

uit: Gedichten van de schoolmeester

 

dyn003_original_412_276_pjpeg_2562352_cbbc65306003f7d34a4da7ed7a6ab8fd

15:07 Gepost door Goras in Tekstjes | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.